Een woning sluiten vanwege drugs. Voor veel gemeenten is het inmiddels vaste praktijk. Wordt een handelshoeveelheid aangetroffen, dan volgt vaak snel een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Maar hoe stevig moet die beslissing juridisch onderbouwd zijn?
In een recente zaak uit Rotterdam blijkt dat een bestuurlijke rapportage van de politie niet altijd voldoende is. Zelfs niet als er drugs, pillen en aanwijzingen voor handel worden aangetroffen.
Woningsluiting artikel 13b Opiumwet
De hoofdregel is duidelijk. Bij meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs mag worden aangenomen dat sprake is van handel. De burgemeester is dan bevoegd om de woning te sluiten.
In deze zaak werd in de woning 1,4 gram cocaïne, twee XTC pillen en negen pillen cellulose aangetroffen. Daarnaast waren er observaties van bezoekers aan de deur en werd in de bestuurlijke rapportage verwezen naar meldingen van drugshandel vanuit de woning. Voor de burgemeester voldoende aanleiding om de woning drie maanden te sluiten. Op papier leek dit een standaardzaak.
Waar het misging: geen controleerbare onderbouwing
Toch ging het hier mis. De bewoner betwistte dat sprake was van handel en stelde dat de drugs bestemd waren voor eigen gebruik, onder meer met vrienden. De rechter vroeg vervolgens naar de onderliggende stukken waarnaar in de bestuurlijke rapportage werd verwezen, zoals politiemutaties en processen verbaal. Die bleken niet meer beschikbaar. Dat is juridisch een probleem. Een bestuurlijke rapportage moet controleerbaar zijn. Als de feitelijke basis niet kan worden getoetst, verliest de rapportage aan bewijskracht.
De conclusie van de rechter is dan ook helder. De burgemeester heeft onvoldoende onderbouwd dat de drugs bestemd waren voor handel en was daarom niet bevoegd om de woning te sluiten.
Handel veronderstellen is niet hetzelfde als bewijzen
Deze uitspraak is opvallend. In de praktijk wordt een handelshoeveelheid drugs vaak als doorslaggevend gezien. Zeker als er aanvullende signalen zijn, zoals meldingen of mogelijke handelsactiviteiten. Toch laat deze zaak zien dat de bewijslast niet volledig bij de bewoner ligt. Zodra de bewoner een plausibele verklaring geeft, verschuift de aandacht naar de onderbouwing van de gemeente.
Kan die onderbouwing niet worden geleverd, dan houdt het besluit geen stand. Dat geldt ook als de omstandigheden op het eerste gezicht wijzen op handel.
Tot slot
Deze uitspraak maakt duidelijk dat een bestuurlijke rapportage geen vrijbrief is voor een woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Gemeenten moeten kunnen terugvallen op concrete en controleerbare gegevens. Voor de praktijk betekent dit dat zowel gemeenten als bewoners scherp moeten zijn op de onderliggende stukken. Zonder die basis is een sluiting juridisch kwetsbaar.
Vragen over woningsluiting artikel 13b Opiumwet of handhaving door de gemeente? Neem gerust contact op met Meena Kashyap of één van onze specialisten.
Bronnen:
Raad van State d.d. 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:896
De inhoud van deze blog is actueel op de datum van publicatie, maar het recht is voortdurend in beweging. Voor de meest recente juridische inzichten, neem gerust contact op met ons kantoor via [email protected] of 020 – 676 2500.
